Verdere inperking toekenning volledige advocaatkosten ex. 1019 Rv. in IE zaken: ambtshalve strenge toetsing hoogte kostenspecificatie

24/08/2017

In procedures betreffende intellectuele eigendom kan de winnende partij aanspraak maken op de werkelijk gemaakte advocaatkosten, mits “redelijk en evenredig” in de zin van art. 1019h Rv. Sinds 1 april 2017 hanteren Nederlandse rechtbanken een geactualiseerde versie van de “Leidraad indicatietarieven in IE zaken”. In deze Leidraad worden richtlijnen gegeven voor de toekenning van deze advocaatkosten in de verschillende civiele procedures.

Uit de geactualiseerde versie van de Leidraad bleek al dat rechters vanaf 1 april 2017 terughoudender zouden worden bij de toekenning van de volledige advocaatkosten. Zo is de volledige kostenveroordeling “zeer eenvoudige, niet bewerkelijke” zaken de facto vanaf 1 april 2017 al afgeschaft. Uit een recent kort geding vonnis van de Rechtbank Den Haag blijkt nu dat de opgegeven kostenspecificatie ook inhoudelijk streng wordt beoordeeld. Waar een specificatie van gemaakte advocaatkosten in het verleden bij niet betwisting nog al eens als onbetwist volledig werd toegewezen, blijkt dat de voorzieningenrechter in de onderhavige kwestie de hoogte van de kosten ambtshalve toetst: de gedaagde partij was niet in het geding verschenen en had dus ook niks betwist. Nieuw is dit overigens niet: al in 2015 oordeelde de Hoge Raad dat de toekenning en de hoogte van proceskosten ambtshalve dient te worden getoetst (HR 4 december 2015).

Wel vermeldenswaardig is dat de rechter in het onderhavige geval op gedetailleerde wijze korte metten maakt met de onderbouwing van de hoogte van de kosten. Dat eiseres als buitenlandse vennootschap substantieel meer kosten heeft moeten maken dan een Nederlandse procespartij acht de voorzieningenrechter in dit geval onvoldoende aannemelijk. Daarnaast blijkt noch uit de toelichting ter zitting, noch uit de overgelegde correspondentie dat partijen onderhandelingen hebben gevoerd die veel tijd hebben gevergd. De correspondentie laat alleen wat kort mailverkeer met contouren voor schikkingsvoorstellen zien. Dergelijke onderhandelingen vormen geen aanleiding voor toepassing van een andere tarief-categorie. Hetzelfde geldt voor de feitelijke achtergrond van de zaak. Dit alles leidt tot de slotsom dat de voorzieningenrechter het kort geding aanmerkt als een eenvoudig kort geding en het tarief van € 6.000,- toepast als het maximale tarief in de toepasselijke categorie.

Copyright 2017 WinthagenMensink

Design by Nomets