Vergunningverlening zomaar stopzetten na een rechterlijke uitspraak mag niet

12/09/2018

Nadat de hoogste bestuursrechter op 7 juni 2017 had geoordeeld dat het beleid van de gemeente Amsterdam voor rondvaartboten niet door de beugel kon, besloot de gemeente simpelweg voor onbepaalde tijd te stoppen met het uitgeven van de exploitatievergunningen die nodig zijn om rondvaarten aan te mogen bieden in het centrum van Amsterdam. Dat mag niet. Het is niet redelijk dat de gemeente voor onbepaalde tijd geen vergunningen verleent, omdat zij nog geen nieuw rondvaartbotenbeleid heeft gemaakt. Een vergunningstop zorgt voor onzekerheid bij (potentiële) exploitanten van rondvaartboten. De gemeente moet van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dan ook beslissen op de al ingediende vergunningaanvragen en zo snel mogelijk nieuw beleid vaststellen voor rondvaartboten.

Verlening van vergunningen of andere toestemmingen van de overheid die ondernemers nodig hebben om diensten aan te mogen bieden aan het publiek moeten op eerlijke en transparanterondvaarten aan te mogen bieden wijze worden toegekend. Als dat noodzakelijk is ter bescherming van het algemene belang mag het aantal te verlenen vergunningen worden beperkt. Dan is er sprake van schaarse vergunningen. Een vergunningstelsel met dergelijke schaarse vergunningen moet noodzakelijk zijn in het algemeen belang en mag de ondernemers niet verder beperken dan in het licht van dat belang evenredig is. Als er meer gegadigden zijn dan te verlenen vergunningen, moeten alle geïnteresseerde partijen gelijke kansen krijgen om mee te dingen naar de gewenste vergunning.

Ter bestrijding van de drukte en om te voorkomen dat de vlotte en veilige doorvaart in het gedrang komen, had de gemeente Amsterdam besloten het aantal vergunningen voor ‘grote’ boten te beperken. Hoewel het nastreven van de vlotte en veilige doorvaart op het water op zich een toegestane reden is om het verzorgen van rondvaarten in Amsterdam aan een vergunningplicht te onderwerpen, kon het beleid van de gemeente Amsterdam de rechterlijke toetsing niet doorstaan. Het beleid was kort gezegd om het aantal vergunningen voor ‘kleine’ vaartuigen niet in aantal te beperken, maar het aantal exploitatierechten voor ‘grote’ boten wel. Op 7 juni 2017 link gaf de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State de rondvaartbootondernemers gelijk dat het onjuist is dat kleinere vaartuigen (merkbaar) beter manoeuvreerbaar zijn dan vaartuigen die door de gemeente waren ingedeeld in het segment “Bemand groot”. De beschikbaarheid van een moderne stuurinrichting waarbij de schroef ook als stuurmiddel wordt gebruikt - zoals een boegschroef of een roerpropeller - is in dat verband belangrijker, zo hadden de rondvaartbootexploitanten toegelicht. Door geen rekening te houden met de effecten van dergelijke stuurmiddelen voor de vlotte en veilige doorvaart was de louter op bootlengte gebaseerde segmentindeling niet geschikt om de door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam nagestreefde beleidsdoelen te bereiken. Het beleid was daarom in strijd met de Europese Dienstenrichtlijn en de daarop gebaseerde Nederlandse Dienstenwet. De gemeente moest daarom nieuw rondvaartbotenbeleid maken. Daarbij moest de gemeente ook rekening houden met het al eerder, op 27 januari 2016 link, gegeven rechterlijke oordeel dat de schaarse exploitatievergunningen niet voor onbeperkte tijd mochten worden verleend, omdat toetreding van nieuwe exploitanten dan nagenoeg onmogelijk zou worden gemaakt.

Vooruitlopend op het nieuw te maken beleid heeft de gemeente op 13 juni 2017 in haar Regeling Passagiersvaart Amsterdam 2013 een moratorium opgenomen op grond waarvan geen besluiten meer worden genomen op lopende of nieuwe aanvragen. Er worden door het Amsterdamse college van burgemeester en wethouders dus per die datum simpelweg geen exploitatievergunningen voor passagiersvervoer over het water meer verleend. Aan deze vergunningstop is geen termijn verbonden. Hoewel een vergunningstop op zich redelijk kan zijn om de gelegenheid te hebben na een rechterlijke uitspraak het beleid daaraan aan te passen, mag zo’n stop niet te lang duren. Uit de uitspraak van 12 september 2018 link blijkt dat het door de gemeente Amsterdam gehanteerde moratorium daar volgens de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State niet aan voldeed, omdat onduidelijk is hoe lang die situatie zal duren en wanneer nieuw beleid in werking zal treden. Daarbij weegt de hoogste bestuursrechter mee dat al geruime tijd is verstreken sinds de eerdere relevante rechterlijke uitspraken over het Amsterdamse rondvaartbotenbeleid. Het college van burgemeester en wethouders moet binnen zes weken opnieuw beslissen op al ingediende vergunningaanvragen en als het nieuwe beleid daarvoor niet tijdig tot stand is gekomen moet naar tussenoplossing worden gezocht door bijvoorbeeld tijdelijke vergunningen te verlenen.

De les uit deze uitspraak is dat een bestuursorgaan na een rechterlijke uitspraak de tijd mag nemen om zijn beleid aan te passen, maar daarmee dan wel aan de slag moet en niet simpelweg mag blijven weigeren om beslissingen te nemen op ingediende vergunningaanvragen.

Copyright 2017 WinthagenMensink

Design by Nomets